Verbonden

Je telefoon gaat, je neemt op en hoort nadat je je naam zei: sorry verkeerd verbonden of: ik heb een verkeerd nummer gedraaid. Die uitdrukkingen, vooral de laatste, liggen ouderen in de mond bestorven.
Ideetje voor een gadget voor je mobiel, geen toetsen maar een digitale draaischijf. Kan je leuk op de retrotour. Heb je misschien minder de neiging om te bellen, want je hebt zo een verkeerd nummer gedraaid.

Verbinden, al of niet verkeerd, is overal. Als je met de trein moet heb je natuurlijk een slechte verbinding. Kan ook met je smartphone, als je begint te schreeuwen. Dat duidt in sommige gevallen op een slechte verbinding. Ga je in Italië naar het ziekenhuis, sta je buiten en is je verkeerde pols ingezwachteld.

Soms heb je geen verbinding, met niks en met niemand. Dan staat je telefoon uit of je hebt geen bereik.
Geen bereik ligt aan je provider of de afwezigheid van een zendmast in de buurt. Voor je smartphone dan.

Je hebt zelf ook bereik, om te kunnen verbinden. Met iemand anders. Kan aan en kan uit. Misschien sta jij wel uit zonder dat je er erg in hebt. Je bent zendmast en ontvanger tegelijk, als je wilt
Verbinding. Met iemand anders. Dat is mooi. Maar moeilijk! Nee, denk het niet. Het is voor jou niet weggelegd en die anderen hebben geen belangstelling? Geloof ik niet. Tip: zet eerst je ontvanger eens aan. Dat gaat bijna letterlijk. Begin met niet iets te vinden van die ander. Laat maar binnenkomen. Wees een beetje nieuwsgierig.

Je zegt nooit iets verkeerds? Misschien onbewust toch wel. Een fronsje, een licht optrekken van je wenkbrauw, even wegkijken en je hebt een heel verhaal verteld. Of een nietszeggende uitdrukking op je gezicht. Je zegt de meeste dingen zonder dat je een mond opendoet. Ogen kunnen praten. Het zijn echte kletskousen.

Het is wie je bent. Laat maar zien. Jezelf. De meeste mensen zijn best aardig. Helemaal als jij dat ook een beetje bent. Finetunen en filteren komt daarna. Je hoeft echt niet met iedereen te verbinden. Zeker niet met stoorzenders. Jij kiest. Soms kom je dan iemand tegen die je nog nooit hebt ontmoet en die je toch al je leven lang lijkt te kennen.

Fazant

Ik had hem de avond ervoor al zien scharrelen rond ons vakantiehuis. Mijn kleinzoons sliepen al. Nu was het in de vroege ochtend en zaten ze aan hun ontbijt. Een heuse Texelse fazant. Met zijn kenmerkende rode kop en dat hese geluid. Het leek me een aardig tam beestje.
Kom vlug voor het raam kijken, zei ik. Een halve broodkorst van het bordje van de jongste grissend. Even de fazant voeren, kijken of hij dichterbij komt. Onderweg naar de tuindeur voelde ik dat ik die moest opendoen met mijn linkerhand. De broodkorst was rijkelijk voorzien van biologische aardbeienjam.

De fazant keek op en deed een paar stapjes in mijn richting. Ik trok een klein stukje van de broodkorst en gooide dat wel gemikt naar de fazant. Het stukje brood kwam wegens grote plakkracht slechts anderhalve meter van mijn voeten op de grond.
Geen probleem voor de fazant. Het enige wat telde is dat hij moest zien waar het brood de grond raakte. Anders bleef hij me aankijken. De aardbeienjam beviel hem blijkbaar. Het was een beetje een verschoten fazant, met vale veren. Alsof hij wat te lang in een etalage in de zon had gelegen.
Achter het raam werd genoten en gewezen. De fazant kwam bijna op aaiafstand. Ik zag iets vreemds op z’n kop. Een metalen sprietje, zo groot als een halve speld en even dun. Als een antenne midden op zijn kop.

Over het schelpenpad kwam een golfkarretje met aanhanger aangereden. Met een energiek ogende jonge vrouw achter het stuur. Deze ochtend was vol verrassingen.
De fazant liep naar het karretje en plofte halverwege neer in het gras. Uit de aanhanger sprong iets wat leek op een vos. De vos pakte de roerloze fazant voorzichtig bij zijn nek en deponeerde hem in een mand op de aanhanger. De vos had ook al zo’n sprietje op zijn kop.

Wat verdwaasd en met een leeg gevoel ging ik naar binnen en waste de jam van mijn handen. Ik liep doelloos door de gang naar de voordeur. Keek in het voorbijgaan even in de spiegel. Geen speldje te zien. Wel dat bobbeltje bij mijn linkeroor. Ik deed de voordeur open en liep naar het wachtende golfkarretje. Hallo, zei ze, kom maar naast me zitten. Daar had ik nog precies genoeg energie voor. Er stak zo’n naaldje als een piercing door haar oor.

Ik hoorde nog uit de voordeur: Opa! Ooohhpaa! Waar ga je naar toe, ik wil met je mee!

Zoemend zette het golfkarretje zich in beweging. Over een uurtje zou ik weer terug zijn en zou de fazant ook weer vol energie scharrelen tussen de struiken, zei ze.

Dat uurtje later bij de koffie vroeg de oudste: waarom mocht ik niet mee opa, ik riep je nog? Oh, ik was zeker al te ver weg. We gaan zo naar Ecomare, kijken naar het voeren van de zeehonden. Ga je mee?

Wind mee

Herfststormen, zijn ze er nog? Het is net september en nu al herfst. Maar stormen ho maar. Niet eens regen. Zet je winterbanden maar op marktplaats, die heb je niet meer nodig. Kan je nog even mee wachten, maar dan verziekt het grote aanbod van gebruikte winterbanden de prijs.

Het leuke van een flinke storm is wind mee. Ik woonde aan de kust. Heen naar school was niet heel grappig. Pal west, wind van zee op je kop. Terug naar huis was altijd al leuker. Maar met wind mee helemaal mooi. Ik hou van wind mee.
Ik heb ook een tijd in Groningen gewoond. Hoe het kan weet ik niet, daar heb je altijd wind tegen. We zijn verhuisd.

Ik heb wind mee. Zonder storm. Geen zuchtje zelfs. Ik besloot om te stoppen. Heb en halve nacht wakker gelegen om tot de conclusie te komen dat het niet meer lukt. Mijn moestuin. Het was een goed besluit, anders was ik nu niet zo blij geweest.

Ik ben fit genoeg om in de moestuin te werken. Kan gewoon alles. Alleen best wat minder lang. Het is net als met je oude smartphone, is ie leeg dan is ie leeg. Dat ging ook zo met het werk in de tuin. Al mijn energie ging erin zitten, 24 uur opladen en zo weer leeg. Heb al drie keer een stuk van de tuin afgedaan. Tuinder zijn op een postzegel, daar heb ik geen zin in. Ik vermijd het woord tuinieren in geval je het nog niet doorhad. Rozen snoeien en een gazon onderhouden is niet mijn stiel. Ik ben meer een old school groenteboer.

Dan rest me nog maar een stap. Stoppen ermee. Zo gezegd en zo gedaan.
Ik heb een gave schaftkeet op de tuin staan, je weet wel zo’n pipowagen. Handig ding, ook fijn om in te zitten als het klettert van de regen. Dan is er vaak helemaal niemand in de buurt. Mijn tuin ligt een eind van de weg. Lekker lezen of een beetje dagdromen daar is heerlijk. En dan moet je er afscheid van nemen. Gaat me echt aan mijn hart.

Ik ben ooit al eens naar m’n tuin gelopen midden in de winter om afscheid te nemen. En vooral om te vertellen dat ik weer graag terug wilde komen. Ik was ziek en hoopte dat het toch goed zou komen. Dat gebeurde gelukkig ook. Niet mijn verdienste wel veel geluk, een geschenk.

Nu was mijn voornemen om er voorgoed een punt achter te zetten. Achter die tuin. Dus verkopen die keet. Afspraak gemaakt om bij een kopje koffie dat te regelen. Ik had al eens gepolst of ze belangstelling hadden.

Een uurtje later ging ik naar huis met wind mee. Nee, met windkracht 10 in de rug. En het waaide niet eens. ‘Zullen we het samen doen, jouw tuin’, was de vraag. Samendoen! En of ik er dan eens goed en lang over wilde nadenken en m’n besluit nog wilde overwegen. Dat deed ik. Twee uurtjes later was ik uitgedacht. Bijna te mooi om waar te zijn. Maar wél waar. Een tuinmaatje.

Ik kan mijn tuin houden en de keet en mijn passie voor groenteboer zijn. Niet met alleen wat hulp of zo. Het is nu een tuin van ons en dat is echt anders.
Zit ik me gek genoeg af te vragen waar ik dat aan heb verdiend. Ik heb het niet verdiend, het is geluk, een geschenk.

Net als wat ik wel vaker hoor van mensen die mijn gezondheidsperikelen een beetje kennen: ‘je hebt wel erg veel pech gehad’.
Ik heb juist heel veel geluk. Ik ben er nog steeds en gezond! Ik ben blij, verwonderd, ik leef en geniet ervan. Wind mee!

Koffie blues

Het voelt als een kop koffie te veel, maar dan zonder de koffie. Je staat er mee op of het is er ineens. Geen idee waar het vandaan komt. Wel en vooral dat het er is. Onrust.
Waar je anders je gewone gevoel voelt is er iets akeligs dat je telkens onder water trekt. Verdomme, er is niks gebeurd en toch wel. Maar wat dan? Was het een droom die ik al vergeten ben gelijk met het wakker worden? Dat berichtje in de krant of die geur van verbrande koffie van de buren?

Wat dan ook, het zijn niet de aanwijsbare dingen zelf. Ze raken iets aan. Wàt het doet maakt weinig uit. Wat me hindert is dat er iets aan te raken is in mij met dat kutgevoel als resultaat.
Zijn het oude regeltjes er ingestampt op school, in de kerk of in m’n ‘opvoeding’. De aanhalingstekens in de vorige zin vertellen hun verhaal terwijl ik het schrijf, realiseer ik me. Oud zeer. Maar ook niet oud, want het is er nog.

De onrust is meer dan alleen dat. Het is ook onvrede. Dat is niet hetzelfde als ontevreden. Ik proef boosheid, woede zelfs en verdriet. En dat allemaal op de achtste tropische dag alweer dit jaar. Ik zie het verband daarmee niet. Heb het gevoel dat het er wel is. Maar waarom en wat dan?
Ik zit vandaag meest binnen, want buiten is het me te warm. Dat is jammer, ik baal ervan. Ik ben geen binnenzitter.

Ik kom in de buurt. In de buurt van waar het vandaan komt. Een alinea of vijf terug had ik nog geen idee. Slechts de drang om het te schrijven. Vertellen. Ik wil dan geloven dat ik het voor jou schrijf. Misschien is het wel meer voor mezelf. Je mag het lezen hoor.

Ik vertelde gisteren aan iemand dat er vroeger altijd een dooddoener was als ik oprecht verontwaardigd of boos was thuis. Wat ze me ook geflikt hadden, het antwoord was dat ik dankbaar moest zijn. Godverdomme, dankbaar. En dat uit de mond van vrome huichelaars. Die ‘opvoeding’ hè.
Ik word weer boos en voel tegelijk de onrust verdwijnen.

Ik ben wel degelijk dankbaar. Maar dan voor het inzicht dat ik heb verkregen door de jaren heen. Ik kan het rotgevoel nu duiden, er mee omgaan en het weg laten vloeien, door het op te schrijven en met je te delen.

Het zou me niet verbazen als je er iets in herkent. Op jouw manier.

Nokia

Het is net half augustus en de eikels vallen van de boom. Het waren eerder altijd de mussen die uit de dakgoot vielen. Dat kan niet meer, vandaar dat de eikels het voortouw nemen. De dakgoot is zo heet dat geen verstandige mus op het randje gaat zitten. Trouwens, wanneer heb jij voor het laatst een mus gezien?
Duiven ja, van die dikke duiven. Ze vreten alles wat los en vast zit en dat komt er ook weer uit. Ze deden het al eens met het overschot aan ganzen. Paté van maken.

Niet aan mij besteed. Net zoals salami, gedroogde Grunniger worst of Achterhoekse Naegelholt. Dat laatste heet in Italië Bresaola. Allemaal heel erg lekker, maar of niet voldoende verhit bij de bereiding (paté), of gewoon nog steeds rauw vlees. Dat betekent dat eventuele virussen en bacteriën nog leven. En zo eventueel is dat niet.

Dat is niet erg, er is heel veel lekkers te koop. Enorm veel soorten kant-en-klaar producten. Met bergen zout erin dan weer wel. Soep dan, ik denk dat ze in de fabriek beginnen met een grote ketel bremzout water en dat ze er niet veel soeps aan toe voegen. Beetje bindmiddel, gelikt etiketje of kleurige verpakking en hup. Soepje dat pijn doet aan je nieren.

Koop je toch gewoon verse spullen en maak je zelf een soepje of een gerecht. Dat is de oplossing. Bijna dan. Ik wil graag goede smaak met heel weinig of zonder zout.
Ik daag je uit, kook ook eens zonder zout dan én zo dat iedereen zegt dat het lekker is. Je gaat een ontdekking doen. Veel van dat verse spul is niet te vreten zonder zout. Verse groenten met de smaak van niks. Aardappels die er wel als aardappels uitzien, maar helemaal niet naar aardappels smaken. Weet jij nog hoe echte piepers smaken? Melk met de smaak van niks, een soort aanvaardbare frisdrank.

Genoeg gemekkerd. Ik houd het bij mijn biologische moestuin. Met groenten van het seizoen mét smaak. En waarom niet? Ik zoek soorten uit op smaak i.p.v. op teeltgemak en het gemak van fabrieksmatige verwerking. Het is echt waar, een kromme komkommer smaakt net zoals een rechte. Je kan ze alleen niet kopen in de supermarkt.

Voor de rest van het seizoen, als er niet zo veel in mijn tuin staat is er de biologische groentewinkel. Biologisch uit een potje of blik is ook lekker, alleen gaat er dan toch weer veel zout bij En waarom zou je? Dat is een gemiste kans. Ik ben zo gek en ga dat vragen bij leveranciers/producenten. Het antwoord is dat de consument dat zo wil. Eikels, die producenten en ook best wel veel consumenten.

Het ware verhaal is dat we niet beter willen weten en dat is pas dom. Als je dat met alles doet, dan bel je nog steeds met je oude Nokia. En waarom doe je dat dan weer niet?

Er worden nieuwe smartphones ontwikkeld omdat jij bereid bent om ze te kopen. Doe dat dan ook met lekkere groenten. En dan zeg ik niet eens dat het biologisch moet zijn. Beetje gif op het menu elke dag moet kunnen.

Koetjesreep

Henk, de knecht van de melkboer, manoeuvreert zijn melkkar door de straat. Melkbussen met losse melk, flessen volle melk in kratten op het dak, flessen vla en flessen met soep en een stevige laag vet onder de aluminium capsule. Een kakikleurig jasje en een lederen geldtas. Gedragen zoals dat tegenwoordig hoort. Henk is niet hip, Henk is functioneel.

De driewielige melkkar knettert kopers naar buiten. De rinkelende bel doet de rest.
“Graag een liter losse melk”. Soepel wordt de melkkoker volgeputst in twee halen van een halve liter.
Zo’n hoge pan met een diepliggende deksel met grote gaten. Opdat de melk niet kan overkoken of het deksel oplichten. Standaard in elke keuken, net als losse melk. Melk mag nog. Is ook nog echte melk.

Melk die ruikt naar melk en klinkt als melk die schuimend in een emmer onder de koe spritst. Zitten op een houten melkkrukje met één poot en een plankje is al best een kunst. Door die verrekte vliegen zwiepen de koeienstaarten telkens ook nog de pet van het hoofd van mijn opa. Daar had hij een mooie oplossing voor bedacht. Ik moest de staart vasthouden. Daar sta je dan belangrijk te zijn. En trots. De beloning; een koetjesreep.

De smaak van de nog warme verse melk laat zich niet omschrijven. Dat moet je ruiken en dat moet je proeven. Ik ruik de melk als ik een nieuw pak open maak. Biologische volle ruikt het lekkerst. Voor de rest is het plat. Echte gelige slagroom, van losse melk natuurlijk, komt het dichtst in de buurt.

Vind je hier bijna nergens. Moet je voor bij de lokale käserei zijn, in bijvoorbeeld Zwitserland. Daar hebben ze nog echte koeien. Met van die dingen op hun kop. Ja de bel om hun hals is dan weer een ander dingetje. Lokale charme. En het helpt als je de koeien van het land moet halen. Ze staan altijd aan een andere kant van de berg dan jij denkt. Koeien.

De geur van de koeienstal en hooi. Het gerammel van de halsters waar ze mee vast staan in de grupstal in de winter. Niet fijn voor de koeien? Ze staan wel de rest van het jaar dag en nacht buiten in een weiland, met echt gras. Ze werden makkelijk tien tot twaalf jaar oud.
Roodbonte vind ik prachtig, zwartbonte ook wel hoor.

Geen export toen van melk en melkpoeder tegen dumpprijzen naar het buitenland. Heel veel boeren in Oost-Europa en later in Afrika zijn zo hun bestaan kwijtgeraakt. Met dank aan Campina en de bio-industrie.

Ik word triest en boos van de bio-industrie. Het is dierenkwellerij. Ik vind het misdadig. Er zijn gelukkig nog veel boeren die het wel goed (willen) doen. Is het tijd voor. Ze zouden mijn opa eens kunnen interviewen. Dat zou mooi zijn.
Ik probeer het voor hem op te schrijven.

Minispatjes

Het regent
minispatjes
met tussenpoosjes
ik hoor het
op de planten
in de tuin
voel het
op mijn hoofd
en blote armen
Zippo
reageert
niet eens
ik denk
aan iemand
en weet niet
waarom

Gedachten als kleine regenspatjes.

Minispatjes als speelse prikjes op je huid. Ze maken gekleurde vlekjes op het scherm van mijn tablet. Even later zijn ze weg. Met tussenpoosjes vallen er nieuwe. Druppeltjes waar je niet nat van wordt. Je ziet ze niet. Je voelt ze en je hoort ze.

Kleine denkseltjes als speelse prikjes van je geest. Je ziet ze niet. Je voelt ze en je hoort ze. Als het stil is vanbinnen.

Het is weer juli

Het is weer juli. Er is niets wat dat tegenhoudt. Vakantietijd, lekker weer, vaak. Ben jarig in juli. Zou de titel van een liedje kunnen zijn; jarig in juli. Een melancholiek liedje dan. Met herinneringen aan verjaardagen zonder feestje, want iedereen op vakantie. Een later ingehaalde verjaardag is niet half zo leuk. Ze weten dat je niet echt jarig bent. Echt een leuk liedje. Wel een triest liedje als ik er langer over nadenk.

Voor dat laatste heb ik meer dan tijd genoeg. Want het is weer juli. Juli, dan heb ik ook wat. En zo is het al jaren. Beetje de Tour de France kijken. Rondje door de kamer lopen omdat je niet meer weet hoe je moet zitten. Weermannen en -vrouwen die om het hardst de hoogste temperaturen voorspellen.

De vooruitzichten zijn dat ik nog wel even tijd heb om de Tour te kijken. Mooie sperziebonen in m’n tuin, kan ik er niet bij. Het is weer juli, sperziebonentijd. Wist je dat ze erg lekker zijn met grove mosterd? Koud kan ook in een salade. Dat is alleen maar lekker met sperzieboontjes uit mijn tuin hè. Die elastieken groene dingen uit de supermarkt zijn niet te vreten. Nu beledig ik je misschien, maar dat komt alleen maar omdat je niet weet hoe lekkere sperziebonen smaken.

Ik heb aardig de gang. Een beetje schofferen en mekkeren. Daar knap ik van op.
Kutcorona. Heeft het me toch te pakken. Maar ik win.

Mensen vragen wel eens of het fijn is om alles van je af te schrijven in een blogje. Nou, dat is niet waarom ik het doe hoor. Ben bovendien altijd opgewekt. Nu ik de indruk wek dat ik het toch doe houd ik er wel mee op. Dan hoef ik je ook niet te vertellen dat ik voor de zoveelste keer overweeg om mijn moestuin van de hand te doen.

Al jaren lukt het me niet of bijna wel om alles weer op orde te krijgen. Was zo goed als gelukt voor mijn vakantie in juni. Dan is het een kwestie van die tuin bijhouden. Het lijkt wel op wielrennen. Zolang je in het peloton zit ga je mee. Als je er af waait, kom dan maar weer terug. Ik kan aardig wielrennen, maar waai er al jarenlang in juli van af. Mechanische pech. Een wielrenner pakt gewoon een nieuwe fiets. Ik reken op mijn oude karretje.

Alleen nog even geraniums kopen, voor op de vensterbak thuis. Kan die tuin weg. Kan ik de volgende juli en de daarop volgenden bedenken hoe stom het was.
Het moet erg zijn denk ik, om gezond en wel achter die vreselijke planten op je vensterbank te zitten. Mopperend over hoe waardeloos het leven is. En dat weer in juli.

Soms moet ik me even ergeren aan het onvermijdelijke. Ben eigenlijk heel erg blij dat ik mag leven. Ik ben er nog en dat zal je weten. We eten vanavond sperzieboontjes uit m’n tuin.

Vakantietijd

Nu is een vreemd moment. Tussen herinneringen en verlangen in. Verlangen naar de toekomst die maar niet komt want het is altijd nu. Je kunt er niet aan ontsnappen, hooguit in berusten. Dat je meer in het nu zou moeten leven is onzin. Je kunt helemaal niet anders. Het is altijd nu. En dan is het alweer voorbij en zit je in het volgende nu.

Ik vraag me af hoelang het nu precies duurt. Oneindig kort of kan het ook een uurtje zijn? Ik denk niet dat een uurtje kan. Aan het begin ervan verlang je misschien al naar de laatste minuut en even later zijn het weer herinneringen.

Impuls gedreven geesten zijn we. Met en zonder toekomst. Allebei tegelijk. Bevangen door het verleden en rijkend naar een toekomst.

Aan iets denken dat over dertig jaar zover is lijkt ver weg. Terugdenken aan iets van dertig jaar geleden lijkt op gisteren. Waar blijft de tijd? Ik weet het niet.
Neem nu je vakantie. Welke dan? Eentje die nog komt. Niet die vorige, daar kan je niks meer mee. Die nieuwe is fijner. Prettige prikkels en gedachten eraan.

Dan bén ik tien dagen op vakantie en het voelt alweer fijn om naar huis te gaan. Op welk moment in de vakantie is het dan echt vakantie? Na vijf dagen denk ik. Een momentje van niks dus. In het nu van dat moment. Als de klok van het Tessiner kerkje even verderop het middaguur slaat.

Alleen weet je het nooit precies. Die klokken daar luiden wanneer ze zin hebben, het hoeft maar een beetje op twaalf uur te lijken of ze doen het al.

Al die nu-momentjes zijn bijzonder. Ik spaar nu’s, je hoeft er geen boodschappen voor te doen, te vliegen of punten voor te sparen. Nu’s voor niks.
Net als de zon.

Nog geen plannen

Als je niet van plan bent om dood te gaan, nog lang niet. Je graag nog een poosje meewilt. Nog een jaartje of dertig als het kan.
Dan verras ik misschien wel eens mensen. Ik was voor m’n 4-wekelijkse infuus in het ziekenhuis. Dan krijg ik een medicijn dat mijn immuunsysteem onderdrukt, om afstoting van m’n nier te voorkomen. Het is beperkt beschikbaar, lang niet iedereen krijgt het. Het is er als er geen andere goede opties voor je zijn. Een soort vloeibaar goud. Het is duur en een infuus op zich is ook al niet gratis.

Ik krijg het om me nog een poosje comfortabel hier te houden. Comfortabel is dan, met een goed werkende nier, zonder heftige bijwerkingen of beschadiging van de nier. Dat laatste gebeurde door de medicatie die ik eerder gebruikte.
Regelmatig een infuus is niet echt fijn, maar ook niks bijzonders. Ik kan ermee leven.

Ik raakte in gesprek met de verpleegkundig. Of ik me veel ontzeg, vroeg ze. Heb ik mogelijk die indruk gewekt omdat ik koffie of thee altijd afsla en water uit een flesje drink. Altijd een FFP2 masker draag in het ziekenhuis en niet in winkels kom. Dat weet ze.

Al snel gaat het gesprek over genieten. Genieten van een biertje bijvoorbeeld. Een speciaal biertje liefst. Ze leek verrast. Paulaner vinden we allebei lekker. Ik lijk een stoïcijnse nierpatiënt, als ik een uur stilletjes zit te dromen tot het infuus erin zit. Ik ben dan relaxed omdat ik toch niks anders kan doen dan ontspannen en wachten . En schrik als de infuuspomp begin te piepen; ‘te weinig druppels’.

Ik ben blij met de meiden van de dagbehandeling. Snap ook dat ik niet blijk te zijn wie ik soms lijk.
Grappig om dat te ontdekken en met ze te delen. Als je het niet zelf hebt ervaren, klinkt het vast gek als ik zeg dat ik me er thuis voel.

Met een arts of met een verpleegkundige bouw je een band op. Als ze voor je zorgen. En dat doen ze. Heeft iets te maken met kwetsbaar zijn en vertrouwen. Heeft alles te maken met hoe ze met me omgaan. Ik voel en ik weet dat ze echt zijn. Het is belangrijk dat ik zelf ook met ze omga op een open en eerlijke manier. Dat voelen ze. Dat weten zij op hun beurt.

Nog een tijdje gezond en beetje comfortabel meekunnen. Daar gaat het om, dat heet ook wel leven. Daar horen ook die niks-dagen bij.

Weet je wat mooi is aan leven?
Dat je kan gaan slapen en dat er morgen een nieuwe dag is
en dat je dan niet hetzelfde hoeft te denken en voelen als gisteren
een nieuwe dag
vol hoop en liefde.